Kloostergoed Dünebroek

Zwanengebroed in het Kloostergoed

Over Oost-Groninger herenboeren en het lot van hun landbouwbedrijf Kloostergoed Dünebroek (1904-1950)

 

Arne C. Jansen

contact@bernard-mandeville.nl

juli 2019

Omdat dit artikel vrij lang is, vindt u helemaal onderaan deze pagina een link om een PDF bestand te downloaden.

Inleiding

‘Kloostergoed Dünebroek’ in Duitsland was een gemeenschappelijk landbouwbedrijf, direct over de grens bij de Wijmeersterbrug in Bellingwolde en tegenover de flèche en redoute van De Lethe. Het bedrijf werd in 1904 opgericht door vijf Oost-Groninger herenboeren. Zij kregen vanaf 1933 te maken met de nazi’s, de NSB en de Duitse bezetting van Nederland. De oorlog veroorzaakte een onherstelbare breuk tussen de eigenaren. Dat het bedrijf na de Duitse capitulatie zou worden verkaveld, was onvermijdelijk en eind 1950 was het zover. Verrassend was toen, dat ‘zwanengebroed’ zich in het ‘kloostergoed’ vestigde.

 

1. Het landbouwbedrijf Kloostergoed Dünebroek, 1904-1944

De Wijmeersterweg in Bellingwolde heet na de grensovergang Dünebroek. Deze straatnaam is gelijk aan de veel oudere streeknaam Dünebroek, wat moeras (broek) met hoogten (duinen) betekent.[1] De weg met schaarse bebouwing gaat na slechts enkele kilometers over in de Wymeerster Hauptstrasse van Wijmeer. Hoewel de streek al eeuwen particulier eigendom was, werd ze, omdat er ooit een klooster had gestaan, toch nog steeds ‘Klooster Dünebroek’ genoemd.


Op het biljart in de gelagkamer van het hotel annex gemeentehuis van J. Groeneveld in Bellingwolde (nu Hoofdweg 162) ligt, in 1904, een gedetailleerde kaart van Westerwolde. Enkele herenboeren staan er overheen gebogen en kijken naar het zompige landschap Dünebroek, dat zich van De Lethe tot Booneschans uitstrekt. Geert Richtes Dallinga (1869-1954) uit Bellingwolde vertelt hun dat deze streek te koop is. Boomkweker Hermann Albrecht Hesse uit Weener bood het hele gebied van ongeveer 600 hectare in een Oost-Friese krant te koop aan. Dallinga stelt zijn collega-herenboeren voor het gebied te kopen en gezamenlijk te exploiteren. Dat Nederlanders het zouden kopen, was op zichzelf niet zo bijzonder. Families en eigendomsrechten slingerden al eeuwen om de huidige landsgrens heen. De Lethe was bijvoorbeeld voor een belangrijk deel Duits eigendom.

 

Wie waren de andere herenboeren? Jan Lammert Veeman (1870-1933) uit Meeden en Hommo Helenius ten Have uit Westerlee (1876-1946). Beno Reinders uit Beerta (1867-1939) en Dallinga’s oom Hindrik Nannes Addens (1857-1942) uit Bellingwolde. Veeman, Ten Have en Reinders resideerden tijdelijk in het gemeentehuis. Ze vormden onder voorzitterschap van Veeman de commisie van schatters. De commissie gebruikte de kaart van Westerwolde voor haar werk. Ze moest namens het hoofdbestuur van het waterschap ’Westerwolde’ de gronden schatten, die ten behoeve van de kanalisatie van Westerwolde moesten worden aangekocht of onteigend. Het verenigde kanalisatieproject waarvoor de schatters werkten en waaraan de naam van Boelo L. Tijdens verbonden is, had als doelstelling de zogenaamd woeste gronden van Westerwolde in cultuur te brengen. De mogelijkheid om Dünebroek te ontwikkelen sloot direct aan bij de landbouwexpansie die in Westerwolde gaande was. Reinders had geen belangstelling voor Dünebroek. Toen ze de volgende dag ter plaatse gingen kijken, had een andere oom van Dallinga, Jan Emmes Botjes (1866-1932), ook uit Bellingwolde, zich bij hen gevoegd.

 


De vijf herenboeren Dallinga, Veeman, Ten Have, Addens en Botjes konden de koopsom niet volledig uit eigen zak betalen. Ze moesten geld bij de bank lenen. Omdat ze hoofdelijk aansprakelijk waren, moesten ze tijdens de onderhandelingen naar huis gaan om de vrouw te vragen of ze nog iets meer dan het gebodene mochten bieden. De vijf goten hun voor onbepaalde tijd aangegane samenwerking in de vorm van de Duitse rechtspersoon ‘GmbH Klostergut Dünebroek’, gevestigd te Wijmeer, hierna verder als ‘Kloostergoed Dünebroek’ aangeduid.[2]

 

Dünebroek1904

Vier vennoten zijn elk voor 2/9 aandeelhouder, Ten Have voor 1/9 deel. Met de organisatorische opzet zijn ze gauw klaar. Veeman zal als herenboer-beheerder of Geschäftsführer het bedrijf in de praktijk gaan leiden en in Bellingwolde gaan wonen. Onder hem werken twee bedrijfsleiders. Het landschap Dünebroek in zijn geheel (zie kaart, 1904) vonden ze te groot. Het noordelijke gedeelte, meer dan de helft, verkochten ze meteen door aan de pachtboeren die er al op zaten. Het zuidelijke gedeelte, in totaal 266 hectare, bleef voor Kloostergoed Dünebroek over (zie kaart, ca. 1940). Dit gebied is ongeveer als volgt af te bakenen: in het westen en zuiden de Nederlandse grens, in het oosten tot de weg Heerenland en in het noorden tot de oost-west lopende wegen Am Klostergut en (gedeeltelijk) Dünebroek.

 

De Groningers interesseerden zich in het bijzonder voor de roodoorngronden en de bouwte. Hun motto is: werkende weg voortgang zien te boeken, klapwiekend op het tempo van de seizoenen en jaren. Ze zijn geen handelaren of speculanten, niet van het snelle geld verdienen. Het ene jaar werd er minder verdiend, dan weer veel meer en soms bleef er niets over om aan de aandeelhouders uit te keren. Zoals in 1923, toen de talrijke aandeelhouders van de coöperatieve aardappelmeelfabriek ‘Westerwolde’ in Veelerveen, gebouwd in 1914, de tekorten moesten aanzuiveren die waren ontstaan door wanbeheer en fraude van de directeur en chef-boekhouder Roelof Nieboer. Nieboer was in november 1922 spoorloos verdwenen en werd enkele maanden later in Macedonië gearresteerd.[3] Kloostergoed Dünebroek was met zestig aandelen een relatief grote aandeelhouder van de aardappelmeelfabriek.[4] Hadden de vijf eigenaren niet betaald, dan was de fabriek failliet gegaan.

 

In 1944 terugblikkend over periode vanaf 1904 tot dan, blijkt er in financieel opzicht reden tot tevredenheid. In landbouwkundig opzicht blijft het land weerbarstig. De waterbeheersing van het gebied, die mede afhankelijk is van de medewerking van de Duitse autoriteiten, laat nog steeds te wensen over. Ook zijn er stukken land die herontgonnen moeten worden. Verder is er nog hoogveen, dat voor turfwinning afgegraven moet worden.

 

Duitsland is politiek geen moment rustig en stabiel. Tien jaar na de start zaten ze in de Eerste Wereldoorlog (1914-18). Daarna volgden een economische crisis en de turbulentie in de Weimarrepubliek. En dan wordt Duitsland ook meegezogen in de wereldwijde recessie door de beurskrach van 1929. Maar de economie trekt aan vanaf het moment dat Nazi-Duitsland (1933-1945) zijn oorlogseconomie op volle toeren laat draaien.

De vennoten maken weinig woorden vuil aan wat ze niet in de hand hebben.

 

Kloostergoed Dünebroek ca. 1940

In de Tweede Wereldoorlog is vooral de dagelijkse exploitatie van het bedrijf een probleem. De streek Dünebroek verschilt in dit opzicht niet van andere landbouwgebieden aan de Duitse kant van de grens: tekorten aan kunstmest en reguliere landarbeiders, de inzet van vele Nederlandse en Duitse dwangarbeid(st)ers en van wreed behandelde gevangenen uit concentratiekampen. Van de Emslandkampen ligt het KZ Brual-Rhede vlakbij Dünebroek. De schuur van een boerderij in Wijmeer is een krijgsgevangenkamp met 40 tot 50 Franse soldaten, die op de omliggende boerderijen landarbeid moeten verrichten.[5]

 

Vanuit het oosten, het zuiden en het westen rukken de geallieerde troepen in Europa op. Zelfs de nazi-pers verhult niet meer, dat Hitler zienderogen wordt teruggedrongen. De vraag voor iedereen is niet of de Duitse bezetting van Nederland eindigt, maar hoe snel. De spanning en het wantrouwen nemen met de dag toe. De Duitse bezetters en hun Nederlandse handlangers worden zenuwachtiger, onberekenbaarder en hardvochtiger.

 

Maandag 17 juli 1944. Onzichtbaar loopt de frontlijn door het groepje mannen dat in hotel Reiderland in Bellingwolde bijeen is. Het zijn de deelnemers aan de jubileumvergadering van Kloostergoed Dünebroek. Wijselijk begroet hun voorzitter Geert Dallinga iedereen even vriendelijk. Hij en Ten Have zijn de enigen van de oprichters die nog in leven zijn. Voor Veeman, Addens en Botjes zijn erfgenamen in de plaats gekomen. Pieter Jan van Leeuwen en Remmo Georgius, schoonzoons van Veeman, namens de weduwe en de twee dochters van Veeman, en drie zonen van Addens, Nanno Hendrik, Johannes Lambertus en Eltjo Tjark Addens. In het geval van Botjes lijkt zijn zoon Nanno Hendrik het aandeel in de GmbH te hebben geërfd, niet ook zijn dochter Jantiene.[6] Over deze broer en zus komen we straks nog te spreken. In de vergadering zijn waarschijnlijk ook de twee bedrijfsleiders van de Kloostergoed Dünebroek aanwezig, de Nederlander Hans Kuiper (1891-1972) en de Duitser Hinderk Vry (1903-1989), die beiden in Dünebroek wonen.Uw bestand wordt voorbereid, een moment geduld alstublieft.

 

 


De bijna 75-jarige Dallinga is in het Noorden een zeer gezien figuur. Dynamisch, energiek, met grote geestkracht, onkreukbaar en met een gouden hart. Ondernemend met grote belangstelling voor het maatschappelijk gebeuren.[7] Dallinga, geboren en getogen in Bellingwolde, had zijn boerderij Hoofdweg 245 in 1922 aan zijn oudere broer en houthandelaar Hindrik R. Dallinga (1863-1953) verkocht en was in de stad Groningen gaan wonen. In Bellingwolde bleef hij ontginner en vervener, en eigenaar van de boerderij Kanaaldijk O.Z. 26 in De Lethe. Dallinga, sinds 1934 weduwnaar, is door zijn passie, de fokkerij van paarden van het Groningse type, nog voor de oorlog in Oldenburg beland. Hij heeft zijn geld erin gestoken. De oorlog overvalt hem. Hij kan zijn vermogen niet vrijmaken en wil ook zijn paarden, in de oorlog militair materieel, niet in de steek laten. Hij zit er economisch vast.[8]

 

Geert Richtes Dallinga (1869-1954)

Dallinga houdt een toespraak die persoonlijk is, alsof hij aan de keukentafel zit te praten. Het zijn spannende tijden en hij beseft dat als hij het verhaal van hun bedrijf nu niet gaat vertellen, dit vrijwel zeker nooit meer uit eerste hand zal gebeuren.[9] In wat hij zegt zit subtiel een opvallende passage, die voor buitenstaanders wel geheimzinnig moet zijn. Hij moet namelijk uiterst voorzichtig zijn. Ze zitten op een tijdbom. Onder de aandeelhouders bevinden zich drie actieve NSB’ers, van wie Addens de dagelijkse leiding van het bedrijf heeft. Hoe zullen deze NSB’ers op hem gaan reageren? Ze hebben contacten met de gewapende landwachters en verraders die actief zijn in de grensstreek.

 

Wat Dallinga aansnijdt, is dat hun bedrijf binnen afzienbare tijd het loodje zal leggen en wel door de NSB’ers. Hoe brengt hij dit? Eerst zegt hij: ‘Dat de mensen in Wymeer en Kl. Dünebroek erg conservatief waren, en nog gedeeltelijk zijn, konden wij na aankoop van het landgoed terdege ondervinden.’ Op hen is, zo vervolgt hij, zichzelf verschuilend, juist een gedicht van ‘vader Cats’ van toepassing:

 

“De bouwers die wij nu de naam van boeren geven,

Zijn in het bouwgeheim al dikwijls onbedreven,

Zij doen meestal ’t bedrijf juist op die eigen voet,

Gelijk een meulepeerd een ronde doet.

Al zijnde tot de ploegh en op het land geboren,

Men vindt ze in een eeuw niet wijzer dan te voren.”[10]

 

Dan volgt er iets dat op andere mensen slaat. Dallinga zegt: ‘Het wil mij voorkomen dat er ietwat kentering is gekomen bij de landbouwers aldaar, wat te danken was aan het beheer en wijze van bouwen aan dit gedeelte van Kl. Dünebroek wat door de Nederlanders was aangekocht.’

 

Essentieel is het onderscheid dat Dallinga maakt tussen eerst mensen uit Wijmeer en daarna de landbouwers aldaar. Van de eersten zegt hij dat ze gedeeltelijk nog steeds erg conservatief zijn. En over de landbouwers, de kleinere Duitse boeren in het gebied, dat deze blijkbaar wat geleerd hadden. Wie zijn ‘de mensen in Wijmeer en Dünebroek’ op wie Dallinga doelt? Het moeten de Duitse boeren zijn die politieke functionarissen zijn geworden. Die hun vak eraan hebben gegeven en agrarische dommeriken zijn geworden. Het bedrijf zit namelijk opgezadeld met de hele reeks van nationaalsocialistische ‘Bauernführer’, de zogenaamde  boerenleiders van de Reichsnährstand (RNST), de ‘rijksvoedingsstand’. Hun doelstellingen zijn niett agrarisch. In de eerste plaats gaat het om de ‘Ortsbauernführer’ van Wijmeer met zijn ‘Ortsbauernschaft’. Een Ortsbauernführer is de dorpsleider, de burgemeester. Boven de Ortsbauernführer staan hiërarchisch de boerenleiders van achtereenvolgens ‘Bezirk’, ‘Kreis’ en ‘Land’. ‘Land’ wil zeggen het gehele noordwest-Duitse gebied Weser-Ems. De RNST is een staat in de staat, een boerenoverheid, waar alle personen werkzaam in de agrarische bedrijfskolom en hun gezinsleden onder vallen.

 

J.L. Veeman (1870-1933),  Beheerder / Geschäftsführer

De piramide van boerenleiders houdt in, dat de Groninger herenboeren van Kloostergoed Dünebroek al vanaf 1933 geen baas in eigen huis meer zijn. De trotse eigenerfde boeren, volkomen vrij in hun landgebruik, zijn in Duitsland feitelijk horigen geworden. De functionarissen van de RNST bepalen wie, wat en hoeveel verbouwt en tegen welke prijs moet worden geleverd. Dit levert wel een groot voordeel op: financieel-economische zekerheid, waar veel boeren in Groningen en Drenthe likkebaardend naar uitkeken en waarop ze tot 10 mei 1940 moesten wachten. Voor Dallinga weegt dit ‘Wirtschaftswunder’ niet op tegen wat er politiek aan de hand is.

 

Kijk maar naar het affiche van de RNST. Niet alleen staat erop ‘In het ‘Bauerntum’ (boerenwezen) ligt de onuitputtelijke bron van onze kracht’, maar ook het symbool van de RNST: ‘Blut und Boden’, hakenkruis met korenaar en dolk. Wat dit in de praktijk betekent, is ook in Groningen bekend. De RNST is de drijvende kracht achter de nazi-idee van ‘Lebensraum’, de verovering van landbouwgebieden in Oost-Europa en de ‘arisering’ daarvan. Om dit te bereiken worden de niet-Germanen (Polen, Russen, Oekraïners, Joden) daar verdreven, tot slaven gemaakt of vermoord en de gebieden daar gekoloniseerd, met onder anderen Nederlandse ‘Oostlandboeren’.

 

Met het woord ‘bouwers, enzovoort’ van Cats verwijst Dallinga niet alleen naar de RNST-‘Bauer’. Zijn kritiek betreft ook de mantelorganisaties van de NSB, te weten het Nederlandsch Agrarisch Front (NAF) respectievelijk de Nederlandsche Landstand en zijn ‘bouwers’, met andere woorden boeren die fout zijn tijdens de bezetting. De aanwezigen herinneren zich ongetwijfeld de bekende NAF-brochure van oktober 1940, met daarin de vetgedrukte zin: ‘Wij zijn dus niet gekomen om te breken, maar om te bouwen.’ Geschreven door Evert Jan Roskam (1892-1974), de Nederlandse boerenleider van de NSB, een zogenaamde bouwer die nooit boer was geweest.

 

Voordat Dallinga aan zijn toespraak begon, had Nanno Hendrik Addens (1883-1972) een kort overzicht gegeven van de geschiedenis van de streek Dünebroek vóór 1904. Hij is als beheerder de opvolger van de bekwame en gewetensvolle Veeman. Veemans dood was een grote tegenslag voor het bedrijf.[11] Wat Addens vertelt, lijkt hij ontleend te hebben aan de ‘Heimatforscher’ en ex-burgemeester van Weener Itzen. [12] Opmerkelijk is Addens’ juridische schot voor de boeg: de verkoop in 1904 had volgens Itzen niet gemogen, omdat het landschap Dünebroek toen nog een leengoed zou zijn geweest. Met andere woorden, mocht Duitsland de oorlog verliezen en het land van Kloostergoed Dünebroek door Nederland worden geclaimd, dan zou Addens proberen de koop van 1904 nietig te laten verklaren.

 

Na de vergadering gaan de mannen huiswaarts, in afwachting van het onbepaalde einde van de oorlog en hun bedrijf. Dallinga praat nog even met deze en gene na over de paardenkoersen, het afgelopen weekend in Groningen. Er waren bijna achtduizend bezoekers. De totalisator, in de bezettingstijd weer ingevoerd, floreerde. ‘Het geld - „zwart geld" of geld dat uitgegeven werd omdat sparen toch geen zin had - stroomde.’ In 1944 met zijn toch maar zeven koersdagen beliep de toto-omzet liefst meer dan 1.1 miljoen gulden.

 

2. Eindfase van de Kloostergoed Dünebroek, 1945-1950

Het gevaar van misleiding, verraad en collaboratie met de Duitse bezetter speelde overal. Zo werd Addo Paul Hovinga uit Oostwold (1892-1972) in 1941 niet herkozen als bestuurslid van de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw, omdat hij een NSB’er was. ‘De heer Hovinga zei dat men zich in het bestuur nooit met de politiek had bemoeid. Heden had spreker echter gevoeld dat men thans ook de politiek in deze technische organisatie brengt. Het speet spreker dat zijn collega's de nieuwe tijd niet beter begrepen.’ Hovinga verliet demonstratief de vergadering, gevolgd door drie andere leden der N.S.B. [13]

 


Lang niet iedereen was aanwezig op de eerste vergadering van aandeelhouders van Kloostergoed Dünebroek na de bevrijding. De NSB’ers Ten Have en Nanno Botjes waren gedetineerd en Nanno Addens was gevlucht. De aanwezigen besluiten het bezit in gemeenschappelijk eigendom verder te exploiteren onder leiding van de bedrijfsleider Hans Kuiper. Deze afspraak duurt tot 1 april 1948 en kan daarna telkens met drie jaar worden verlengd. De exploitatie heeft weinig om het lijf. De oogst van 1945 mag niet worden binnengehaald. De bedrijfsoppervlakte valt grotendeels binnen de ‘Prohibited Zone’, het niemandsland, van vijf kilometer breed, dat de Canadezen op Duits grondgebied hadden ingesteld.[14] Vijf jaar lang kan deze strook niet worden bebouwd. Sukkeljaren. ‘Het was een grote bende’.




 

Verkiezingen Provinciale Staten in Groningen, 1935.



Wat de NSB’ers betreft, Ten Have is vastgezet. Iedereen in Groningen kent Hommo Helenius ten Have, die in Eexta was gaan wonen. Deze vennoot van het eerste uur was in 1935 lijsttrekker van de NSB voor de Provinciale Staten van Groningen. Hij was groepsleider van de NSB en voorzitter van de Raad van Discipline geweest. Van het Economisch Front was hij districtsleider. Bij de leveranties van verduurzaamde groenten en conserven aan de Duitsers gaf hij zijn volle medewerking en hij behaalde hierdoor aanzienlijke winsten.[15]

 

Ten Have begreep eind 1944 wat zijn vooruitzichten waren. Hij droeg zijn fabriek voor ‘verduurzaamde groenten’ in Eexta[16] notarieel over aan zijn minderjarige zoon en schonk notarieel substantiële geldbedragen aan zijn twee dochters c.q. schoonzoons. Deze transacties werden door het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) op 19 september en 6 oktober 1945 nietig verklaard.[17] Het NBI was in de periode 1945-1967 belast met het opsporen, beheren en eventueel liquideren van landverraderlijke vermogens, vijandelijke vermogens en de vermogens van tijdens de oorlog verdwenen personen, veelal gedeporteerde of ondergedoken Joden. Het NBI legde evenwel geen beslag op het aandeel van de NSB’ers in de onverdeelde Kloostergoed Dünebroek. In februari 1946 pleegt Ten Have zelfmoord In het interneringskamp in de Carel Coenraadpolder.[18]

 

De beheerder Nanno Hendrik Addens houdt zich ergens in Duitsland, waarschijnlijk bij zijn schoonfamilie, schuil. In 1933, het jaar van Hitlers machtsovername in Duitsland, was de toen vijftigjarige vrijgezel Nanno Addens beheerder of, zoals hij zichzelf noemde, directeur van Kloostergoed Dünebroek geworden. Vier jaar later, in april 1937, trouwde hij met een Duitse boerendochter uit Oltmannsfehn, die dertig jaar jonger is. Ze woonden in Bellingwolde. Het leeftijdsverschil gaf aanleiding tot gissingen. Aangetrokken door zijn status? Niet veel later begonnen enkelen zich af te vragen: zou Dierks er misschien iets mee te maken hebben gehad?

 


Hilmar Dierks was een Duitse beroepsspion, afkomstig uit Leer (Oost-Friesland) . Hij spioneerde al in de Eerste Wereldoorlog en ook daarna in Nederland. De voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog was al in 1935/36 in gang gezet toen de Duitse inlichtingendienst van de nazi’s, Abwehrstelle van Wehrkreis X in Hamburg, agenten begon te werven in Nederland. Hilmar Dierks was hierin de spil. Zijn broer Gerhard Dierks uit Leer, een verzekeringsman, zette daarnaast de ‘Grenzgängerorganisation’ op, een spionagenetwerk om rapporten van spionnen over de grens te smokkelen. Addens opereert als spion, boodschapper en spionnenwerver binnen de spionagenetwerken van de gebroeders Dierks.[19]

Gerhard (l) en Hilmar Dierks (r)

 

Nog voor de Duitse inval op 10 mei 1940 loopt Addens tegen de lamp. Wat was er gebeurd? ‘In cijfercode gingen eenmaal 10 à 15 brieven naar Duitsland, via een adres in Bellingwolde, waar de brieven door de N.S.B.'er Addens werden ontvangen en doorgegeven. In Bellingwolde woonden echter twee personen, die Addens genaamd zijn. Eenmaal kwam een brief op het verkeerde adres. Deze goede Addens maakte de brief open en ging er mee naar de burgemeester die de zaak in handen van de Leeuwarder politie gaf. Van toen af werd van alle brieven, die voor Addens bestemd waren, een fotocopie gemaakt’.[20]

 

Addens werd in de nacht van 20 op 21 februari 1940 gearresteerd, met twee medespionnen die bij hem thuis waren, de op dat moment door de PTT geschorste kantoorhouder Rosken Luchtenberg uit Bellingwolde en de Duitse spoorwegman Harm Siemers uit Weener, die zich bij de aanhouding stevig verzette.[21] De arrestatie was landelijk nieuws. Ze werd ook in verband gebracht met de spionage waardoor het Nederlandse schip Simon Bolivar was vergaan en met de ontvluchtingspoging van twee in Noord-Holland geïnterneerde onderofficieren van de Duitse Luftwaffe.[22]

 


Tussen haakjes, dit was de tweede keer dat deze Nanno Addens landelijk het nieuws haalde. De eerste keer was in 1919. Als ‘De burgerwacht van Bellingwolde’. Wegens een schietincident enkele dagen na de gemeenteraadsverkiezingen in 1919, waarbij de SDAP voor het eerst de meerderheid in de raad had behaald, zes van de elf zetels. Tijdens een demonstratieve optocht van landarbeiders en dienstboden op 28 mei in Bellingwolde had Addens gedreigd en geschoten met het geweer, waarover hij als lid van de burgerwacht beschikte. Dit voorval leidde tot vragen van de SDAP-politicus Pieter Jelles Troelstra aan de minister en tot bijgaande spotprent.[23]

 

Terug naar zijn arrestatie in 1940. De Winschoter Courant trok naar Bellingwolde en noteerde wat de bevolking over Addens wist te vertellen: ‘De landbouwer A., die naar men zegt een overtuigd aanhanger van de N.S.B. is, ging uit hoofde van zijn kwaliteit als bedrijfsleider van het even over de grens gelegen landbouwbedrijf Kloster Dünebroek, een bedrijf van plm. 600 H.A. groot, dat aan een vijftal Oost-Groningse landbouwers toebehoort, dagelijks over de grens. De toegangswegen naar Duitsland zijn wel geheel versperd bij Bellingwolde—zoals men weet is alleen bij Nieuweschans passage mogelijk — maar de heer A. had het gedaan weten te krijgen, dat hij dwars door de landerijen naar het bedrijf over de grens mocht gaan.[24] Er doen thans natuurlijk allerhande geruchten de ronde over de betrekkingen, die de gearresteerden met Duitsland hebben gehad. Zo wordt het thans wel vreemd gevonden, dat de landbouwer A. voor zijn auto op het Duitse bedrijf de beschikking kon krijgen over een hoeveelheid van 100 L. benzine per maand, terwijl deze brandstof voor het particulier autovervoer bij onze Oosterburen niet of bijna niet schijnt te worden afgegeven. De heer A. is een drietal jaren gehuwd met een Duitse vrouw.’

 

Toen de Duitse troepen op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, zat Addens in hechtenis. Hij werd meteen vrijgelaten. Zijn spionageactiviteit werd in 1948 opgerakeld tijdens het strafproces tegen Jan (‘Barre Jan’) Kloosterboer uit St. Pancras, die ook lid van het Duitse spionagenetwerk van Hilmar Dierks was geweest.[25]

 

De derde NSB’er van Kloostergoed Dünebroek, de vrijgezel Nanno Botjes (1894-1972), werd na de oorlog geïnterneerd en door het Tribunaal in Groningen veroordeeld. Hij kwam in november 1946 weer op vrije voeten, raakte daarna steeds verder aan lager wal en kwam uiteindelijk met een fles jenever ergens in het stro de winter door. [26] Op enig mededogen van zijn zuster Jantiene Botjes en haar man Adolf Robertus (1890-1976), zaadhandelaar in Winschoten, hoefde hij niet te rekenen. Robertus was als bekende Winschoter in mei 1942 als gijzelaar opgepakt en enkele maanden geïnterneerd geweest in Sint-Michielsgestel.[27] In de nacht van 14 op 15 april 1944 werd hij opnieuw gearresteerd en naar Groningen gebracht. Na drie maanden kwam hij vrij, om op 22 juni 1944 weer gearresteerd te worden. Een dag later werd hij vrijgelaten. Met hun zoon Jan Emmes Robertus liep het slechter af. Hij werd op of kort na 15 april 1944 gearresteerd, toen hij brood naar zijn gevangen vader bracht. Hij was lid van de LO-OD groep Winschoten.[28] Deze groep werd verraden door de jonge Winschoter Johannes Augustus Lich. [29] Jan Robertus overleefde het concentratiekamp Versen bij Meppen maar bezweek medio mei 1945 in een Brits hospitaal in Rotenburg-Unterstedt; wat zijn ouders pas in 1948 te weten kwamen. [30]  

 

De ‘uiteenzetting’ van Kloostergoed Dünebroek

Oost-Friesland en dus ook Dünebroek behoorden tot de Engelse bezettingszone, een van de vier geallieerde zones waarin Duitsland na zijn overgave in 1945 was opgedeeld. Zoals Dallinga in 1944 al had laten doorschemeren, was de persoonlijke basis voor de eenheid van de GmbH Kloostergoed Dünebroek weggevallen.

 

Albertine Van Leeuwen-Veeman (1910-1998) en ds Pieter Jan van Leeuwen (1904-1992)

In 1950 kent de vergadering van aandeelhouders weer een andere samenstelling. De beheerder Nanno Addens is weer boven water gekomen. Ook Nanno Botjes is weer terug, maar dat slechts in de marge. Hij had in 1942 al een stuk van zijn aandeel verkocht aan zijn neef Nanno Addens. Wat hij toen nog over had, verkocht hij in 1950 op lijfrente-basis aan Berend Johannes Brouwer, handelaar in vee, land en huizen te Bellingwolde. En voor wijlen Hommo H. ten Have zijn de Erven Ten Have in de plaats gekomen.

 

Gezien de onderlinge gevoeligheden kwam het waarschijnlijk goed uit, dat door Pieter Jan van Leeuwen (1906-1992), de al genoemde schoonzoon van Veeman, in 1948 voorzitter van de GmbH was geworden, als opvolger van Geert Dallinga in 1948. Van Leeuwen was dominee in Eelde. De scheuring binnen het bedrijf door het probleem van de NSB’ers werd met de mantel der zwijgzaamheid bedekt. Verder was Kloostergoed Dünebroek in agrarisch opzicht zodanig verwaarloosd, dat reanimatie er ook daardoor niet meer in zat. Euthanasie was de enige oplossing.

 

En er kwam een geschenk uit de hemel, waardoor het motief van de uiteenzetting, dat wil zeggen de verdeling van Kloostergoed Dünebroek, objectief aan iets externs kon worden opgehangen. Dat geschenk was de zogenaamde ‘Bodenreform’, de landhervormingspolitiek die de geallieerden al vele jaren lang aan de Duitsers probeerden op te leggen. Hun bedoeling was een eind te maken aan de grondpolitiek van de nazi’s, die in hoge mate was bepaald door hun ‘Blut und Boden’ ideologie. De nieuwe regeling hield onder meer in, dat geen natuurlijke persoon of rechtspersoon meer dan 100 ha in eigendom mocht hebben. De oppervlakte van Kloostergoed Dünebroek was ruim tweeënhalf keer zo groot.

 

Tegen deze regeling was sterk en langdurig Duits verzet gerezen. ‘In Nedersaksen kwamen de partijen helemaal niet tot een overeenstemming. Daarom besloot de Brits-militaire regering zelf op 17 juni 1949 tot de verordening nr. 188, waarin de ‘Bodenreform im Lande Niedersachsen und in der Hansestadt Hamburg’ werd geregeld. Maar de stichting van de Duitse Bondsrepubliek in 1949 had tot gevolg, dat deze verordening ab acta werd gelegd, in het archief van de overbodige stukken. Bij de vennoten van Kloostergoed Dünebroek was de verordening echter als Gods woord in een ouderling gevallen. Ze grepen haar met beide handen aan.

 

En zo kon na een bestaan van zesenveertig jaar de uiteenzetting van de Kloostergoed Dünebroek op vrijdag 29 december 1950 formeel worden beklonken.[31] Voorzitter Geert Dallinga had in 1944 gezegd te hopen, dat ‘de nakomelingen van ons dit landgoed zullen behouden; kon het zijn voor zeer lange tijd.’ Zijn enige nakomeling, een dochter, was helaas in 1923 verongelukt. Hij nam afscheid van zijn geesteskind door het stuk land dat hij door de uiteenzetting had gekregen, door te verkopen.

 

3. Nasleep in Dünebroek 1951-1988

Om de verdeling van Kloostergoed Dünebroek helemaal af te ronden, moest er alleen nog een boerenboeldag worden gehouden om landbouwgereedschap en andere roerende zaken te verdelen. Op 2 februari 1951 wordt de onderlinge boeldag gehouden. Maar er gebeurt meer. De erfgenamen van de NSB’er Ten Have verkopen hun gedeelte van Kloostergoed Dünebroek aan een goede bekende van hen: de 65-jarige Tjark Eltjo Bontkes, Germaans fascist en vooraanstaande NSB’er. [32] Bontkes was voor het einde van de oorlog naar Duitsland gevlucht. [33] Was hij na de oorlog gepakt, dan had hij ongetwijfeld een gevangenisstraf van een jaar of tien, vijftien, gekregen.

 

Bontkes is nog even messiaans als toen hij zich in de jaren 1910 als fascist begon te roeren. In het naoorlogse Duitsland valt hij vanzelfsprekend niet uit de toon. In de bocht van de weg Dünebroek, waar een losse schuur van Kloostergoed Dünebroek had gestaan die door oorlogshandelingen verloren was gegaan, bouwt Bontkes een nieuwe boerderij. Zijn neef Nanno Hendrik Addens, die waarschijnlijk automatisch de Duitse nationaliteit had verkregen op grond van het zgn. Hitler Erlass voor buitenlanders in Duitse krijgsdienst, vestigt zich ook in Dünebroek. (Bontkes was ook een neef van Nanno en Jantiene Botjes.)

 

Bontkes bouwt geen villaboerderij in de stijl van de villa Benvenuto in Bellingwolde. [34] Hij kiest voor een traditioneel boerderijtype en voorziet dit van symbolen die zijn Germaanse levens- en wereldbeschouwing weerspiegelen.

 

Boven uilgevel, onder weervaan  Foto’s Marten Fokkens

Zoals op de foto’s te zien is, heeft het woonhuis aan de voorkant, op het oosten, een uilgevel of uilenbord, versierd met een gele opgaande zon en daarin een blauw hart.[35] Op de achterkant van de boerderij staat een weer- of windvaan in de vorm van een zwaan.
 
De nieuwe boerderij heet ‘Schwanenhof’. Nomen est omen. De bewoners beschouwen zichzelf als zwanen van Siegfried, de Germaanse lichtgod. Machtiger kan het niet. De opgaande zon op de uilgevel verwijst naar Siegfried. Bontkes: ‘In Siegfried, de godenzoon der zon, belichaamde zich de Germaanse ziel in haar doodsstrijd tegen het Christendom. Siegfried, het toonbeeld van Germaanse kracht en trouw, de held van edele inborst en zonnige levensblijheid, de ideaal gestalte van het sterke Germaanse ras.’[36] Siegfried (‘zege-vrede’) is een onheilspellende boodschap: vrede na de overwinning. Na een nederlaag kan van vrede geen sprake zijn. Het blauwe hart, teken van eeuwige trouw, symboliseert de zogenaamde ‘Nibelungentreue’.

 

Een zwaan als windvaan komt in Oost-Friesland vaak voor, meestal op Lutherse kerken. In dit geval is er geen verband met de Lutherse godsdienst. De statige, beetje dreigende zwaan van Bontkes heeft de houding van de zwaan van Lohengrin de Zwaanridder. Maar met zijn rode helm en rode snavel verwijst hij naar Donar of Thor, die met rood haar en een rode baard wordt uitgebeeld. Donar is de orde brengende Germaanse god van onweer en donder, symbool van verzet tegen het christendom en de lievelingsgod van de boeren.[37] In het volksgeloof of de Germaanse sagen wordt de witte zwaan als levens- en lichtdrager gezien.[38] Hij kan ook de toekomst voorspellen.

 

In deze Germaanse godgelovigheid staat Bontkes niet alleen. Ter onderscheiding van christen of atheïst en als aanduiding van de ‘aardeigen vroomheid van het Duitse wezen’ hebben de nazi’s de kwalificatie ‘godgelovig’ in 1936 officieel erkend als godsdienstige denominatie. ‘Kern en doel van alle oud-arische religiesystemen was dan ook het behoud en doel van zuiver bloed door een reine, ras- en aardgetrouwe levensopvatting’, aldus Bontkes in 1936. Geloof valt niet uit te leggen. Maar Bontkes en zijn medegelovigen ontbreekt het niet aan een tastbaar voorbeeld: Hitler. Hij heeft laten weten zichzelf als Siegfried in Richard Wagners ‘Götterdämmerung’ te beschouwen. De twee-eenheid Siegfried-Hitler behoeft geen uitleg.

 

Welke ‘zwanen’ broeden er zoal nog meer in het voormalige Kloostergoed, behalve de neven Bontkes en Addens en hun gezinnen? Bijvoorbeeld de in 1948 veroordeelde Hendrik Jan Nijks (1915-2003) uit Wedderveer, provinciaal leider van de Agrarische Jongerenbeweging en landwachter. Verder zal de voormalige Ortsbauernführer Willy Reinhart de Wiljes (1895-1985) uit Charlottenpolder (Bunde) graag langs zijn gekomen. Al in januari 1939 was de Nederlands sprekende De Wiljes als vertegenwoordiger van de Reichsnährstand opgetreden voor de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw.[39]

 

De belangrijkste gast is echter de ‘Zwarte Weduwe’ Florrie Rost van Tonningen (1914-2007). Ze vertoeft er in de zomer. In de hem zo kenmerkende, gedragen stijl schijft Bontkes haar In september 1946: ‘En als wij beiden dan, wandelend hand in hand door het tuinpad gaan, denkende aan de toekomst van Nederland, van Duitsland, van Europa en van de wereld en een van ons reeds de contouren van een nieuwe synthese tussen de volkeren van land en zee, in plaats van de oude tegenstellingen ziet opdoemen, dan rijst de vraag, wie eens deze gedachte zal helpen uitvoeren. En onzichtbaar glijden dan de gedachten van het heden naar de toekomst en zijn wij beiden daarvan symbool. Moge daarom eens de jongere uitvoeren, wat nu reeds de oude als een opkomende zon uit de nevelen van de toekomst ziet gloren.’[40]

 

Tjark Bontkes sterft in 1972, net als zijn neven Nanno Addens en Nanno Botjes.[41] De ongehuwde Sietske Bontkes (1914-1988) zet welbewust de bijeenkomsten van het zwanengebroed op land van het voormalige Kloostergoed Dünebroek voort. [42] Zij overlijdt eind 1988 en wordt begraven in het gezinsgraf in Finsterwolde. Ze was een wat vreemde, eigenaardige vrouw.[43] Zou zij in de loop der jaren eventueel wat minder extreem zijn geworden? Of was ze nog bezeten van de SS?

 

Dit laatste blijkt het geval te zijn. De overlijdensannonce namens Florrie Rost van Tonningen, Nijks en andere vrienden bevat de dichtregel ‘Zo wordt het sterven licht, waarvan uw ondergang nog zingt één laatste maal mijn eigen zwanenzang.' Deze is van de hand van Ward Hermans, de beruchte voorman van SS-Vlaanderen. [44] Hermans wordt in België als de ‘zwartste onder de zwarten’ in België beschouwd.


 Foto Marten Fokkens


Bij het gezinsgraf van Bontkes in Finsterwolde staat een zwarte zwaan. Volgens de Germaanse mythologie begeleidt een zwarte zwaan de zielen van overleden Germaanse strijders naar het Walhalla.[45]

 

Goed fout

Grensstenen, verlaten verdedigingswerken aan de grens en zichtbare grensovergangen spreken tot de verbeelding. Het zijn relatief luchtige objecten, vergeleken met de ideologieën die tot de nauwelijks opgemerkte zwanenzang van het Kloostergoed Dünebroek (1904-1950) hebben geleid.

 

Er waren Wijmeerders die geloofden dat het land van de GmbH Kloostergoed Dünebroek na de oorlog door Nederland zou worden ingelijfd. In het al door oorlogshandelingen toegetakelde gebied kapten ze snel de eikenbomen aan de weg Dünebroek, om te voorkomen, dat het hout in Nederlandse handen zou vallen. Ze vonden goed wat Nederlanders fout vonden. Gelukkig bleef de landsgrens hier ongemoeid. Oost-Groningen had genoeg aan zichzelf.  



[1] Mogelijk een samentrekking van de toponiemen Dunelee en Leebrouck. gerelateerd aan het riviertje De Lethe.

[2] De GmbH is een rechtspersoon naar Duits recht, te vergelijken met een besloten vennootschap, die in Nederland echter pas sinds 1971 mogelijk is.

[3] De Noord-Ooster, 14-12-1922.

[4] Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Woensdag 3 September 1913, n°. 206.

[5] Meer informatie over de periode 1904-1944 staat in het artikel ‘Geschiedenis “Kloster Dünebroek”, de bedrijven en hun bewoners’,  van Edo D. Edens en Benno A. H. Stikker In Oostdijck-Flink (ed.) Bellingwolde vroeger en nu (2000), blz. 290-344. Bronnen van de afbeeldingen: internet, Groninger Archieven, Edens en Stikker.

[6] Vgl. het artikel van Edens en Stikker, blz. 307.

[7] N.v.h.N., 13-10-1954.

[8] Na de oorlog werd zijn vermogen van 1946-1948 geblokkeerd; ‘gesperrtes Vermögen’.

[9] De teksten van Addens en Dallinga zijn opgenomen in het artikel van Edo D. Edens en Benno A. H. Stikker.

[10] Dichtregels uit Jacob Cats (1577-1660), Ouderdom en Buytenleven, dl II. De bouwers die wy nu den naem van boeren geven / Zijn in het bouwgeheym al dickmaels onbedreven / Sy doen meest hun bedrijf juyst op dien eygen voet / Gelijck een meulepaert een staege ronde doet / Al zijn se tot de ploegh, en op het lant geboren /Men vint se пае ееп eeuw niet wijser dan te voren.

[11] Remmo Georgius, ‘Jan Lammert Veeman, schatter van het kanaal door Westerwolde’, in het tijdschrift Westerwolde, (1999, nr.1). Over Kloostergoed Dünebroek: ‘Het werd onder zijn leiding een bloeiend bedrijf dat in Duitsland tot voorbeeld diende en zijn proefvelden werden internationaal bezocht. De omliggende bedrijven waren minder enthousiast, de verlaging van de waterstand zou volgens hen tot een muizenplaag leiden.’

[12] Wilhelm Siebrands Itzen (1861-1946).

[13] Nwe Prov. Gron. Crt. 15-01-1941. Addo Hovinga werd tijdens de bezetting burgemeester in Scheemda en waarnemend burgemeester in Midwolda. Zijn dochter was leidster / huishoudster van de nationaalsocialistische Boerenschool "Gaasterland" te Rijs, waar ook Bontkes optrad.

[14] Johan Brand de Boer en Willem Jonkman, Militair gezag in Groningen (1990), blz. 170.

[15] N.v.h.N., 19-08-1947.

[16] De geuren van de fabriek ken ik nog; mijn grootouders (Stationsstraat 103) woonden vlakbij ‘Ten Have’.   

[17] Staatscourant 26-09-1945 resp. 16-10-1945.

[18] N.v.h.N., 25-02-1946.

[19] F.A.C. Kluiters and E. Verhoeyen , An International Spymaster and Mystery Man: Abwehr Officer Hilmar G.J. Dierks (1889-1940) and his agents.

[20] N.v.h.N., 14-12-1948.

[21] Luchtenberg was begin december 1939 door de PTT geschorst wegens een antisemitische houding. ‘Hem werd, ter vervanging van een gemobiliseerde, uit Winschoten een plaatsvervanger toegewezen van Israëlitische huize. De heer L. zou met dezen samenwerking hebben geweigerd, waarna zijn schorsing moet zijn gevolgd.’

[22] De Simon Bolivar (ruim 8000 ton) van de KNSM werd op 18-11-1939 voor de Engelse kust bij Harwich tot zinken gebracht door middel van twee Duitse magnetische mijnen. Van de 397 mensen aan boord vonden bij de ramp 102 mensen de dood.

[23] Van L.J. Jordaan, in het sociaal-democratische weekblad De Notenkraker, 07-06-1919.

[24] Dit betekende rijden langs het B.L. Tijdenskanaal en dan over de ‘slijkweg’, die uitkwam op de weg Am Klostergut. Over deze slijkweg werd oorspronkelijk het Dollardslib, dat als kunstmest diende, van de haven van Oudeschans naar Dünebroek vervoerd, totdat in 1911 het B.L. Tijdenskanaal de slijkweg doorsneed. Toen kon het slib via dit kanaal worden aangevoerd, overgeladen en over de slijkweg, die er in 1944 nog was maar nu verkaveld is, verder worden getransporteerd.

[25] N.v.h.N,.14-12-1948.

[26] N.v.h.N., 26-11-1946. Het Tribunaal in Groningen veroordeelde hem tot een internering gelijk aan de voorinternering. Verder werd 5000 gulden verbeurd verklaard en kreeg hij 10 jaar ontzegging van het kiesrecht.

[27] Henk Strating, Winschoten 1940-1945, een provinciestadje aan de Duitse grens (2001), blz. 97, 111, 164-5, 260, 262. Robertus was een van de leden van het naoorlogse Tribunaal in Groningen.

[28] Groninger Archieven, Systeemkaarten van verzetsbetrokkenen (OVCG). LO: Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers; OD: Ordedienst. Een van zijn contactpersonen was dominee André du Croix (1910-1945). Robertus (1920-1945) was in 1942 verloofd met Gita (Grietje) Boersma (1920-2008), zuster van Tine Boersma, de echtgenote van André du Croix.

[29] In samenhang met de Nederlander Carl Ludwig Huschka, spion in dienst van de Abwehrstelle Wilhelmshaven. Zie N.v.h.N. 25-02-1947 over het meervoudige verraad van Lich, die tot levenslang werd veroordeeld. Hier ligt ook een link met de eerdergenoemde Bellingwolder Luchtenberg. Deze werd na de oorlog veroordeeld (vgl. NvhN, 14-02-1950) voor zijn misdaden als landwachter, o.m. in verband met de aanslag op burgemeester Venema van Bellingwolde en de arrestatie in maart 1945 van het echtpaar Kruiter-Steenhuis in Bellingwolde, dat na betaling van een losprijs van fl. 3500.- weer vrij kwam. Drukker Kruiter, die armbanden voor de ondergrondse had bedrukt, werd ook verraden door Lich, die verkering had met een nichtje van Kruiter. Van de losprijs behield Lich fl. 500.-. (De Kruiters waren onze overburen in Bellingwolde. Zij deed de winkel, waar ik wel boeken leende en met hem mocht ik wel eens in zijn zwarte Ford Prefect meerijden.)

[30] Jan Robertus bevond zich tussen de mannen die begin oktober 1944 bij de razzia van Putten waren opgepakt en vanuit Amersfoort naar Neuengamme werden weggevoerd. Met een aantal van hen kwam hij in het Emslandlager Versen bij Meppen terecht. Toen dit kamp eind maart 1945 werd opgeheven, moesten de afgepeigerde gevangenen 250 km naar Neuengamme lopen. Vandaar belandde Robertus in Sandbostel; zie Piet Dam, Het (vergeten) concentratiekamp Stalag XB Sandbostel (internet) en ‘Cor Bos verteld over zijn kamptijd’ op www.oktober44.nl. Bekijk het korte filmpje op YouTube over de bevrijding van Sandbostel.

[31] Zie het artikel van Edens en Stikker voor een overzicht van de eigendomsoverdrachten, verkavelingen, verbouwingen, sloop en nieuwbouw, die na de uiteenzetting volgden.

[32] Zie over Bontkes ook Arne C. Jansen, Benvenuto! Welkom, in Bellingwolde!, verschenen in Terra Westerwolda, jaargang 6, nr 1, voorjaar 2017, en Oost-Groninger Hildesheimers op historie-bellingwedde.realsite.nl.

[33] Bontkes uit Finsterwolde had in Bellingwolde gewoond. Hij woonde er ook in de jaren 1920, hoewel hij ingeschreven stond in Finsterwolde en daar raadslid was. Toen de geallieerden dichterbij kwamen, vluchtte Bontkes met vrouw en twee dochters naar Duitsland. Zijn zoon Boelo Luitjen bleef in Finsterwolde. Hij was NSB-gezind, in 1940 als reserve eerste luitenant pelotonscommandant en actief in de Nederlandse Landstand. Hij beroofde zich in mei 1945 in de marechausseekazerne te Finsterwolde van het leven. Op grond van het Zuiveringsbesluit 1945 werd hij in maart 1947 postuum per 1 januari 1944 ontslagen als hoofd van de luchtbeschermingsdienst in Finsterwolde. Van 1932-1952 was Bontkes eigenaar van de boerderij Aalandsheem, Dijkwal 1, in Oudeschans. Deze werd net als zijn boerderij in Finsterwolde als vijandig bezit onder beheer van het NBI werd gesteld. Vermoedelijk had hij de Duitse nationaliteit verkregen.

[34] N.v.h.N., 15-10-1912. ‘Bij onderhandsche aanbesteding werd gisteren onder architectuur van de heeren K. H.. en T. Holthuis K.H.zn., alhier [Groningen], aanbesteed den bouw van een villa met wagenhuis en stalling voor den heer T. Bontkes Jzn. te Finsterwolde. Het werk is gegund aan den heer R. P. Burema te 't Waar (gem. Scheemda).’

[35] Vgl. W.F. Van Heemskerck Düker en Van Houten, Zinnebeelden in Nederland (1941), ‘Oelebord Giekerk’, blz. 45.

[36] T.E. Bontkes, Siegfried en Christus, in Vragen van den dag, 1928. T.E. Bontkes, ‘Een cultureele taak voor het Nederlandsch Nationaal-Socialisme’, in Nieuw Nederland, april 1936. T.E. Bontkes, Siegfried en Christus, een synthese tusschen Germaansche en Christelijke wereldbeschouwing. NSB-brochure. In de Germaanse idylle van ‘edele gemeenschapszin’ is er plaats voor het christelijke ‘heb je naaste lief als jezelf’; wat Bontkes aanduidde als ‘synthese tussen Siegfried en Christus’. Vgl. ook Eduard Michelsen en Friedrich Nedderich, Geschichte der Deutschen Landwirtschaft, (1901), blz. 20-22 over ‘Duitse goden‘. ‘Wir müssen in Siegfried, ähnlich wie beim hellenischen Herakles, die edle Vermenschlichung eines hehren Sonnengottes sehen‘ (blz. 21).

[37] Helmuth Glasenapp, Die nichtchristlichen Religionen (1957), blz. 125.

[38] Deze rol werd later, toen de zwaan een lekkernij werd, overgenomen door de ooievaar.

[39] De Telegraaf, 17-01-1939. Tegen deze fascistische propaganda waarschuwde Luppo Stek (1884-1942) in de gemeenteraad van Beerta. Binnen het Rijkscommissariaat van Seyss-Inquart was De Wiljes feitelijk de Duitse boerenleider in Nederland. De Wiljes kreeg veel publiciteit als spreker voor afdelingen van het Nederlandsch Agrarisch Front. Hij was o.m. gedelegeerd commissaris van de Nederlandsche Oostcompagnie N.V., opgezet door Rost van Tonningen. Zijn broer Edzo de Wiljes uit Oost-Friesland bewoonde in 1945-46 de boerderij Aalandsheem van Bontkes in Oudeschans.

[40] F.S. Rost van Tonningen, Op zoek naar mijn huwelijksring.

[41] De sympathiserende Lammert Buning, die Bontkes beschreef als een idealist die ijverde voor zijn ‘volkse gedachte’, laat Bontkes in 1975 overlijden. Zie Een merkwaardige Groninger in Drentse dreven (1979), blz. 88 en 89. Naar verluidt leefden Bontkes en zijn vrouw gescheiden; zijn vrouw met één dochter in Leer.

[42] Opgeleid als lerares lichamelijke opvoeding en actief in de Jeugdstorm. In 1944 trad ze in dienst van Winterhulp Nederland. Bij haar sollicitatie verklaarde ze ‘godgelovig’ te zijn. Ze overwoog toen, net als haar zuster Jantje (1919-1958), secretaresse bij de Stichting Saxo-Frisia, zich bij de Hitlerjugend aan te sluiten.

[43] Telefonische informatie van Edo D. Edens.

[44] N.v.h.N., 08-11-1988. Ward Hermans (1897-1992).

[45] Vgl. Van Heemskerck Düker en Van Houten, Zinnebeelden in Nederland (1941), blz.33-6.



Arne C. Jansen LL.B. (1940) is thans onderzoeker van het leven en werk van Bernard Mandeville en werkt aan de integrale, geannoteerde vertaling van Mandevilles oeuvre. 1953-1958 Gem. HBS te Winschoten. Opleiding Russisch aan de School Militaire Inlichtingendienst te Harderwijk. Studeerde aan de universiteit van Amsterdam. Managementopleiding aan het instituut voor Hoger PTT-personeel ‘Voorlinden’ te Wassenaar, van 1962-1966. Werkte tot 1994 als senior manager van diverse operationele - en stafafdelingen op lokaal, regionaal en concernniveau bij PTT/KPN.

Van zijn hand is ook het artikel over de villa Benvenuto in Bellingwolde, hetgeen zijn band met deze regio duidelijk maakt.


Ċ
Historie Bellingwedde,
16 jul. 2019 01:37